12 februari 2018

Onvoldoende bewijs voor diefstal van stroom

Op 9 januari 2018 heeft de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad een geconcludeerd in een opmerkelijke kwestie die nu voor de tweede keer bij de Hoge Raad ligt.

De verdachte was op 16 juni 2014 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het telen van hennep en de diefstal van stroom. In de kweekruimte werden zijn vingerafdrukken aangetroffen op assimilatielampen. Ook werd er een peuk aangetroffen met daarop zijn DNA. In zijn auto werden assimilatielampen en kabels aangetroffen. De verdachte had aanvankelijk een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en hij had later ontkend iets met de kwekerij te maken te hebben. Hij had ook geen namen van andere personen gegeven.

Gelet op de bewijsmiddelen en de proceshouding veroordeelde het Gerechtshof de verdachte voor hennepteelt. Ook werd hij veroordeeld voor de diefstal van de stroom die door de netbeheerder was geconstateerd.

De verdachte is in 2014 voor het eerst in cassatie gegaan tegen deze uitspraak. Op 10 november 2015 kwam de Advocaat-Generaal tot de conclusie dat er op zich niets mis was met de veroordeling voor het telen van hennep, maar dat er wél een probleem zat in de veroordeling voor diefstal van stroom. Immers: er was enkel geconstateerd dat er stroom was gestolen en dat de verdachte betrokken was bij de hennepkwekerij. Uit de bewijsmiddelen bleek echter niet (uitdrukkelijk) dat de verdachte enige bemoeienis had gehad met de diefstal van stroom. Ook was de bewezenverklaring op dit punt niet nader gemotiveerd.

De Hoge Raad was het daarmee eens, en op 15 december 2015 werd de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag.

Het Gerechtshof Den Haag heeft de verdachte vervolgens op 29 augustus 2016 opnieuw veroordeeld voor diefstal van stroom. De gebruikte bewijsmiddelen waren nagenoeg hetzelfde, maar dit keer had het hof een wat uitgebreidere motivering:

De verdachte is bij arrest van 16 juni 2014 van het gerechtshof Den Haag onherroepelijk veroordeeld voor het opzettelijk telen van 317 hennepplanten in een pand aan [a-straat 1] te ‘s-Gravenhage in de periode van 11 september 2012 tot en met 24 januari 2013. Derhalve staat vast dat de verdachte beschikking had over de woning en dat hij wist dat daarin hennep werd geteeld. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat andere personen dan de verdachte bij de hennepkwekerij betrokken waren.

Voorts blijkt uit de rapportage diefstal energie gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte dat de fraudespecialist van Stedin Netbeheer B.V. in de woning constateerde dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast en stijgleidingkast verbroken en verwijderd waren. De fraudespecialist zag tevens dat er aan de onderzijde van de hoofdzekeringen een vier aderige elektriciteitskabel was bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze elektriciteitskabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Deze elektriciteitskabel was destijds bij het aansluiten van het pand op het elektriciteitsnet van Stedin Netbeheer B.V. niet in opdracht van Stedin Netbeheer B.V. geïnstalleerd. Bij het volgen van die elektriciteitskabel zag de fraudespecialist dat deze uitkwam in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerijen onbemeten van elektriciteit werden voorzien. De bevindingen van de fraudespecialist van Stedin Netbeheer B.V. worden ondersteund foto’s in het dossier.

Het hof overweegt dat is komen vast te staan dat de hennepkwekerij buiten de meter om van elektriciteit werd voorzien en dat het gelet op de hierboven omschreven omstandigheden aan de verdachte is om te verklaren waarom hij niet verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor het illegaal afnemen van de elektriciteit ten behoeve van de door de verdachte geëxploiteerde hennepkwekerij. De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep echter niet verschenen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Tegen het tweede arrest van het Gerechtshof Den Haag is de verdachte opnieuw in cassatie gegaan. De Advocaat-Generaal heeft op 9 januari 2018 geconcludeerd dat de zaak opnieuw moet worden gecasseerd.

De Advocaat-Generaal stelt voorop dat niet bewezen is verklaard dat er sprake was van braak of verbreking. Er hoeft dus niet bewezen te worden verklaard dat het de verdachte was die de meterkast heeft opengebroken en daar een illegale aansluiting heeft gemaakt. Het enkele maken van zo’n aansluiting levert nog geen diefstal van elektriciteit op (vgl. HR 24 november 2015: ECLI:NL:HR:2015:3361). Er is pas sprake van diefstal als er vervolgens een stroomverbruiker wordt aangezet die is aangesloten op de illegale aansluiting. Maar niet iedereen die betrokken is bij een wietkwekerij, maakt zich hieraan schuldig. Iemand die alleen maar de plantjes water komt geven, maakt zich nog niet schuldig aan diefstal van stroom. Zelfs niet al deze persoon weet dat de stroom illegaal wordt afgenomen.

Daarnaast merkt de Advocaat-Generaal terecht op dat het Gerechtshof de verdachte niet heeft veroordeeld voor medeplegen. Dit betekent dat bewezen is verklaard dat de verdachte de diefstal helemaal alleen zou hebben gepleegd. Er kan dus niet worden volstaan met de redenering dat de verdachte niet zelf per se een wegnemingshandeling (zoals het aanzetten van de lampen) hoeft te hebben verricht, maar dat het voldoende is dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met iemand die dat wél heeft gedaan.

Betrokkenheid bij hennepteelt is dus niet per definitie voldoende voor betrokkenheid bij diefstal van stroom. Om dat laatste bewezen te kunnen verklaren moet óf blijken dat het de verdachte zelf was die zich schuldig heeft gemaakt aan een wegnemingshandeling, óf dat de verdachte wist dat er stroom werd gestolen én dat hij zo nauw heeft samengewerkt met de stroomdief dat er sprake was van medeplegen van de teelt van hennep. In dat laatste geval vormt de diefstal van elektriciteit onderdeel van de samenwerking.

De Advocaat-Generaal benadrukt dat in de onderhavige kwestie volstrekt geen feiten waren vastgesteld waaruit bleek wat nou precies de rol was geweest van de verdachte bij de kwekerij. Weliswaar bleek (en was ook bewezen verklaard) dat hij zich schuldig had gemaakt aan het telen van hennep, maar niet bleek dat hij de (enige) bewoner was van de woning waar de hennepkwekerij was aangetroffen. Met andere woorden: strikt genomen had de verdachte ook iemand kunnen zijn die alleen heeft geholpen met het opbouwen van de kwekerij en die verder geen enkele betrokkenheid heeft gehad met het kweken of met de diefstal van stroom.

Het feit dat uit het dossier niet blijkt van andere verdachten zegt niet dat er geen andere betrokkenen waren. Er is simpelweg een tekort aan bewijs en het is in zo’n geval niet aan de verdachte om te bewijzen dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan een diefstal. De Advocaat-Generaal komt uiteindelijk tot de conclusie dat het Gerechtshof zich feitelijk schuldig maakt aan een omkering van de bewijslast en dat de Hoge Raad de zaak (opnieuw) dient te casseren.

De Hoge Raad zal binnenkort uitspraak doen.

27 december 2017

Nieuwe normen opbrengst hennepkwekerij (vanaf juni 2016)

Dit jaar zijn de eerste hennepzaken behandeld waarbij voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik is gemaakt van de nieuwe BOOM normen voor de berekening van de opbrengst van een hennepkwekerij.

Deze nieuwe normen werden ingevoerd op 1 juni 2016. Officieel heten de BOOM normen ook geen BOOM normen meer. Immers, BOOM stond voor Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie. Deze afdeling van het OM is opgegaan in het Functioneel Parket en heet nu Functioneel Parket Afpakken. Laten we het dus voortaan de FPA-normen noemen, dat zal bij veel cliënten ook verwarring voorkomen. Er werd nogal eens gedacht dat de normen iets met de natuur te maken hadden (wat op zichzelf ook zo is).

De belangrijkste gewijzigde norm is natuurlijk het bedrag dat een kilo droge hennep volgens het OM oplevert. Dit was sinds november 2010 een bedrag van € 3.280,00. Uiteraard tot genoegen van veel cliënten, want in de praktijk leverde een kilo – mits van goede kwaliteit en afkomstig van een geslaagde oogst – al jarenlang veel meer op. Per 1 juni 2016 is dit bedrag verhoogd naar € 4.070,00. Dit bedrag is het gemiddelde van 95 meldingen vanuit het Coördinatiepunt Nationaal Netwerk Drugsexpertise (NND) van de Dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politiediensten gedurende de jaren 2012 tot en met 2016. Het bedrag lijkt aardig overeen te komen met het bedrag dat ik vanuit de praktijk vaak te horen krijg, namelijk € 4.000,00 per kilo.

Naast de norm voor de opbrengst zijn ook de normen voor de kosten aangepast. Er worden de volgende bedragen gerekend:

Stekje :€ 3,81 (dit was € 2,85)

Kweekmedium : € 1,63 (dit was € 1,41)
Water : € 0,03 (ongewijzigd)
Voedingsstoffen: € 2,22(dit was € 1,89)

Totaal variabele kosten : € 3,88 (dit was € 3,33)

De kosten van een stekje zijn wederom gebaseerd op informatie vanuit het Coördinatiepunt Nationaal Netwerk Drugsexpertise. In de praktijk hoor ik echter al jaren van cliënten dat een stekje circa € 5,00 kost. De nieuwe norm lijkt mij dus een wat voorzichtige schatting van de kosten.

Wat helaas niet gewijzigd is zijn de kosten voor afschrijving van apparatuur. Welk bedrag hiervoor kan worden afgetrokken hangt af van de grootte van de kwekerij en varieert van € 150,00 tot € 500,00 per oogst. Dit zijn nog steeds de normen uit het oorspronkelijke BOOM rapport uit 2005. De normen zijn zeer waarschijnlijk niet meer representatief voor de werkelijke afschrijvingskosten van gemaakte investeringen.

Daarnaast wordt in het nieuwe FPA rapport geopperd dat er sinds de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 36e lid 8 Wetboek van Strafrecht wellicht helemaal geen plaats meer is voor aftrek van afschrijvingskosten. Dit standpunt wordt gebaseerd op de parlementaire geschiedenis van de betreffende wetsbepaling waarin de minister had aangegeven dat er geen plek zou moeten zijn voor aftrek van kosten in verband met handelen dat op zichzelf al strafbaar is. De gedachte is dat het aanschaffen van bijvoorbeeld assimilatielampen en stekjes op zichzelf al strafbare feiten zijn en dat de investeringen hierin dus niet langer voor aftrek in aanmerking komen. Vooralsnog wordt dit standpunt echter niet gevolgd in de jurisprudentie. Ook heb ik dit standpunt nog nooit horen bepleiten door het openbaar ministerie.

Tot slot nog iets over de opbrengst van een plant in grammen. Deze normen (gemiddeld 28,2 gram) per plant worden in de update van 2016 niet gewijzigd. Wel blijkt op basis van nieuw onderzoek (onder meer door de Universiteit Gent) dat de norm van gemiddeld 28,2 gram achterhaald is en de minimale opbrengst vaak hoger ligt (30 tot 48 gram per plant). Omdat het nieuwe onderzoek is gebaseerd op een lager aantal testcycli dan het oorspronkelijke BOOM onderzoek uit 2005, blijft men zekerheidshalve echter bij de oorspronkelijke norm opbrengst per wietplant.

Voorbeeldberekening nieuwe normen vs. oude normen

Stel, we hebben een kwekerij van 100 planten die 1 oogst heeft opgeleverd en waar er 15 planten per vierkante meter stonden. De stroom werd illegaal afgenomen en is ook achteraf niet betaald. Er werd geen gebruik gemaakt van knippers.

Onder de oude BOOM normen zou deze kwekerij het volgende hebben opgeleverd:

Opbrengst 100 planten x 28,2 gram per plant x € 3,28 per gram = € 9.249,60

Kosten stekjes en variabele kosten 100 planten x € 6,18 = € 618,00

Afschrijvingskosten apparatuur = € 150,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel = € 8.481,60

Onder de nieuwe FPA normen zal voor deze kwekerij de volgende illegale opbrengst worden berekend:

Opbrengst 100 planten x 28,2 gram per plant x € 4,07 per gram = € 11.477,40

Kosten stekjes en variabele kosten 100 planten x € 7,69 = € 769,00

Afschrijvingskosten apparatuur = € 150,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel = € 10.558,40

Dit betekent dat onder deze voorbeeldberekening, de berekende onrechtmatig verkregen opbrengst onder de nieuwe normen circa 25 % hoger zal uitvallen dan voorheen.

De nieuwe normen zijn van toepassing op oogstcycli die zijn gestart vanaf 1 juni 2016.

6 augustus 2017

Toch voordeelontneming bij geripte hennepkwekerij?

Enkele weken geleden stond ik bij de rechtbank in Dordrecht een cliënt bij die verdacht werd van het gehad hebben van een hennepkwekerij. Het Openbaar Ministerie meende dat cliënt een aantal keren had geoogst en daar geld mee had verdiend. Er werd een aanzienlijk bedrag geëist ter ontneming van wederrechtelijk (illegaal) verkregen inkomsten.

Cliënt bekende dat hij de kwekerij had gehad. Hij stelde zich echter op het standpunt dat zijn hennepplanten – ongeveer een week vóórdat hij van plan was om te gaan oogsten – waren ‘geript’. Oftewel: anderen waren zijn kwekerij ingekomen en hadden de hennepplanten gestolen.

Namens cliënt heb ik ter zitting het standpunt ingenomen dat deze cyclus niet kon meetellen bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Immers: cliënt had nooit enig voordeel gehad van deze cyclus: de planten waren gestolen voordat hij ze had kunnen oogsten en verkopen.

De jonge en fanatieke Officier van Justitie stelde zich echter op het standpunt dat het niet uitmaakte of de planten geript waren. Volgens hem was het voordeel al verkregen door het kweken en voorhanden hebben van de planten. De planten zijn immers geld waard en de planten zijn verkregen door een strafbaar feit: het kweken van de planten zelf. Ter onderbouwing van dit standpunt verwees de Officier van Justitie naar een uitspraak van de Hoge Raad van 24 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3364).

In de betreffende uitspraak heeft de Hoge Raad bepaald dat het telen van hennep een product oplevert dat als zodanig vermogenswaarde heeft en als daadwerkelijk behaald voordeel moet worden aangemerkt. Van belang is om op te merken dat het in die casus ging om gedroogde hennep. De henneptoppen die al van de planten waren afgehaald en waren gedroogd.

Deze uitspraak van de Hoge Raad borduurt verder op het ‘gestolen kobalt’ arrest van de Hoge Raad van 30 november 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AR3721). Daar ging het om een verdachte die een partij kobalt had gestolen. Vervolgens was deze partij kobalt weer van hém (de dief dus) gestolen nog vóórdat hij het kobalt had kunnen verkopen. De Hoge Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat zulks niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel: het voordeel was immers al verkregen en dat het later aan de dief is ontstolen is zijn eigen risico.

Voorafgaand aan het ‘gestolen kobalt’ arrest van 2004 heeft Advocaat-Generaal Vellinga een zeer lezenswaardige en leerzame conclusie geschreven (ECLI:NL:PHR:2004:AR3721). Hierin wordt de vraag aan de orde gesteld waar het nou feitelijk om gaat bij het ontnemen van voordeel. Gaat het enkel om het teniet doen van een verkregen voordeel? En zo ja, wat doen we dan met de verdachte die het behaalde voordeel zelf al teniet heeft gedaan? Naast verlies of diefstal kan de verdachte het voordeel inmiddels ook hebben uitgegeven of verspeeld.

Men zou zich op het standpunt kunnen stellen dat er alleen voordeel is als er sprake is geweest van enig genot. Reeds in 1996 (HR 9 januari 1996, NJ 1996, 305) heeft de Hoge Raad bepaald dat het voordeel zelfs uitsluitend kan bestaan in genot. Dus: als het geld is uitgegeven aan bijvoorbeeld vakanties en etentjes, dan is er sprake van voordeel dat kan worden ontnomen. Ook als het geld feitelijk niet meer in de portemonnee zit. Maar deze redenering zou eigenlijk tot de conclusie moeten leiden dat de dief die wordt bestolen van zijn buit, géén genot heeft gehad.

In de conclusie van Vellinga worden een aantal strafrechtgeleerden aangehaald die stellen dat er géén ontneming kan volgen als het verworven voordeel inmiddels teniet is gedaan door diefstal of verlies. Dit wordt mede gebaseerd op de wetgevingsgeschiedenis.

Vervolgens haalt Vellinga een aantal uitspraken aan waarop een andere conclusie kan worden gebaseerd. Bijvoorbeeld de veroordeelde die een deel van de opbrengst van zijn misdrijven had geïnvesteerd in drugs. De drugs waren vervolgens verbeurdverklaard en onttrokken aan het verkeer. De Hoge Raad heeft in dat geval bepaald dat dit niet leidt tot vermindering van het door hem verkregen voordeel (HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841). In diezelfde uitspraak is bepaald dat verliezen, gelden ten gevolge van afpersing, geen kosten vormen die op het voordeel in mindering mogen worden gebracht. In een latere uitspraak werd bepaald dat het weggeven van illegaal verkregen voordeel niet leidt tot vermindering van het te ontnemen voordeel (HR 26 augustus 2003, NJ 2003, 696).

Op basis van deze jurisprudentie concludeert Vellinga dat er geen reden is om het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen in geval van verlies of diefstal. Het voordeel is immers verkregen. Verlies of diefstal is het maatschappelijke risico van bezit en dat doet aan de waarde van het verkregen voordeel niet af. Overigens stelt dat Vellinga dat de verdediging in zo’n geval nog wel goed zou kunnen bepleiten dat het opleggen van een betalingsverplichting geen redelijk doel meer dient.

De Hoge Raad haalde in het ‘gestolen kobalt’ arrest  enkele passages aan uit de wetsgeschiedenis en stelt:

‘Op grond hiervan moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.’

Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat er niets mis is met de redenering van het Hof dat in het midden kan blijven of het kobalt van de verdachte was gestolen. Immers: de verdachte had het kobalt (en daarmee het voordeel) al verkregen door zijn eigen diefstal. Kortom: het daadwerkelijk behaalde voordeel is het kobalt zelf en niet alleen het geld dat zou zijn verdiend door het verkopen ervan.

Terug naar de uitspraak van 2015 over de hennepkwekerij. Gelet op het bovenstaande is het niet heel gek dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het telen van hennep een product oplevert dat als zodanig vermogenswaarde heeft en als daadwerkelijk behaald voordeel moet worden aangemerkt. Dus: als je hennep wordt gestolen kan het de verkoopwaarde ervan tóch worden ontnomen.

Resteert de vraag vanaf wanneer de hennep een product is dat als zodanig vermogenswaarde heeft? Is daarvan al sprake wanneer de hennepplanten nog stekjes zijn? Of wanneer het volwassen planten zijn? Of pas wanneer de hennepplanten ook daadwerkelijk zijn geoogst en/of gedroogd?

In de casus van het arrest van de Hoge Raad ging het om gedroogde hennep. Dus: henneptoppen die al van de planten waren afgeknipt en gedroogd. Ook uit de overweging dat het telen van hennep ‘een product oplevert’ kan worden afgeleid dat er pas sprake is van voordeel op het moment dat de de toppen uit de planten zijn geknipt en gedroogd. Immers: pas dan is er sprake van een product dat zonder verdere handeling kan worden verkocht.

In de casus van mijn cliënt waren de planten geript vóórdat ze überhaupt waren geoogst. In mijn optiek gaat het beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad derhalve niet op. Helaas kwam de rechtbank niet toe aan een oordeel hierover omdat men niet meeging met het standpunt van cliënt dat de kwekerij was leeggehaald.

26 juni 2017

Wordt hennep kweken gelegaliseerd?

Mijn kantoor krijgt de laatste tijd regelmatig de vraag of hennep kweken sinds kort legaal geworden is of binnenkort zal worden. Dit heeft alles te maken met het wetsvoorstel van D66 dat op 21 februari jl. werd aangenomen. Om alle onduidelijkheid weg te nemen zal ik dit wetsvoorstel hier kort bespreken en vertellen wat het op dit moment betekent in de praktijk.

De huidige situatie

Om het nu aangenomen wetsvoorstel beter te kunnen begrijpen is het zinvol om even kort te herhalen wat de huidige situatie is.

Het kweken van wiet is nu volledig strafbaar gesteld in de Opiumwet. Er wordt slechts een uitzondering gemaakt voor een aantal telers met wie de overheid contracten heeft gesloten voor het aanleveren van medicinale wiet. Dergelijke contractanten maken zich derhalve niet schuldig aan enige overtreding van de Opiumwet.

Daarnaast geldt voor sommige hennepkwekers het zogenaamde gedoogbeleid. Indien iemand maximaal 5 planten heeft zonder gebruik te maken van professionele apparatuur zoals lampen of filters, dan geldt dat deze persoon in beginsel niet zal worden vervolgd. Een dergelijke kweker overtreedt weliswaar de Opiumwet, maar hij wordt niet vervolgd.

De verkoop van hennep is thans ook volledig strafbaar gesteld in de Opiumwet. Echter, ook hier geldt een gedoogbeleid voor coffeeshophouders die zich houden aan bepaalde criteria: de zogenaamde AHOJG-criteria. Een coffeeshop wordt niet vervolgd indien men geen reclame maakt (de A van affichering), geen harddrugs (H) verkoopt, geen overlast (O) veroorzaakt, geen toegang geeft voor jeugdigen (J) en geen grote (G) hoeveelheden verkoopt. Daarnaast mag men sinds enige tijd uitsluitend verkopen aan ingezetenen van een Nederlandse gemeente.

Dit gedoogbeleid is op dit moment neergelegd in de Aanwijzing Opiumwet (een beleidsregel) en dus niet in de Opiumwet zelf. Daarnaast leidt de huidige regeling tot de zogenaamde ‘achterdeur problematiek’. Er is min of meer geregeld dat wiet onder bepaalde omstandigheden mag worden verkocht vanuit coffeeshops, maar het kweken en de aanvoer ervan zijn nog steeds strafbaar.

Het voorstel

Het wetsvoorstel dat nu is aangenomen in de tweede kamer (wetsvoorstel 34 165) regelt in de kern drie dingen:

  • Het reeds bestaande gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops wordt vastgelegd in de Opiumwet;
  • Het wordt mogelijk gemaakt om met een ontheffing van de overheid wiet te kweken ten behoeve van coffeeshophouders;
  • Het zonder ontheffing kweken van wiet wordt (onder omstandigheden) zwaarder bestraft.

Het codificeren van het gedoogbeleid gebeurt in de voorgestelde artikelen 6a, 6b en 6c van de Opiumwet. Artikel 6a stelt dat de gemeenteraad kan besluiten dat het verkopen en aanwezig hebben van hennep is toegestaan in coffeeshops. Artikel 6b stelt eisen waaraan coffeeshops moeten voldoen om een ontheffing te krijgen en artikel 6c gaat over hoe lang de ontheffing geldig is. Voorts worden er nog enkele kleinere wijzigingen aangebracht in artikel 7, 8, 8a, 8b en 8c Opiumwet.

Het vastleggen van het legaal kunnen kweken gebeurt in de uitbreiding van artikel 8h met onderdeel c en d. Dit artikel gaat op dit moment uitsluitend over het legaal kweken voor medicinale doeleinden. Hieraan wordt toegevoegd dat er ook een ontheffing kan worden verleend voor het telen van hennep om hiermee coffeeshops te voorzien van voorraad.

Het gewijzigde artikel 8i zegt in lid 5 dat er uitsluitend overeenkomsten worden aangegaan met beroeps- of bedrijfsmatige telers van hennep. In een later te maken Algemene Maatregel van Bestuur worden nadere criteria gesteld om te bepalen of een teler wordt aangemerkt als beroeps- of bedrijfsmatig.

Ook worden in dit artikel nog een aantal aanvullende eisen gesteld:

  • de teler moet zorgdragen voor een goede kwaliteit van de hennep en de verpakking daarvan. Men moet ook de aanwijzingen opvolgen van speciaal daarvoor aangewezen ambtenaren;
  • het telen van hennep mag niet mag plaatsvinden in de nabijheid van woningen;
  • de teler moet maatregelen nemen om de veiligheid te waarborgen;
  • de hennep mag uitsluitend in gesloten verpakking worden vervoerd naar coffeeshops die een ontheffing hebben;
  • de teler moet voorafgaand aan een verkoop of aflevering informeren of de coffeeshop niet de maximaal aanwezige handelsvoorraad overschrijdt. Indien zulks zo is, mag men niet afleveren of verkopen;
  • de teler moet het beleid van de gemeente waarin de coffeeshop gevestigd is, in acht nemen en de goede uitvoering daarvan bevorderen.

Tot slot bevat het wetsvoorstel een verhoging van de maximale straf die kan worden opgelegd voor kweken zonder ontheffing. De maximale straf bedraagt nu voor de meeste hennepkwekerijen 6 jaar gevangenisstraf (artikel 11 lid 2 jo. lid 5 Opiumwet). In het voorstel wordt de maximale straf verhoogd naar 9 jaar gevangenisstraf als er levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Mocht het leiden tot iemands dood, dan kan er zelfs 15 jaar gevangenisstraf worden opgelegd.

Er kan niet genoeg worden benadrukt dat het wetsvoorstel op dit moment (juni 2017) nog geen wet is. Het wetsvoorstel moet eerst nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer. Mogelijk wordt het voorstel in zijn geheel afgewezen of worden er nog wijzigingen in aangebracht.

Mocht het voorstel worden aangenomen dan betekent dit simpelweg dat de mogelijkheid ontstaat om legaal te gaan kweken, mits er aan een rits voorwaarden wordt voldaan. Dit wetsvoorstel maakt het niet legaal om zelf een kwekerij te gaan beginnen op een zolderkamertje. Voor mensen die dit toch doen, bijvoorbeeld om de buitenlandse markt te bedienen, zullen de straffen vermoedelijk zwaarder worden.

6 april 2017

Voorbereiden hennepteelt. De jurisprudentie van 2016.

Op 1 maart 2015 werd het voorbereiden van hennepteelt strafbaar gesteld in het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet. In 2015 had zich nog niet veel rechtspraak gevormd. Gelukkig biedt 2016 een beter inzicht in hoe rechters omgaan met dit relatief nieuwe artikel.

Bewijs

In de praktijk gaat het veelal om verdachten die (al dan niet bedrijfsmatig) een hoeveelheid goederen voorhanden hebben die kunnen worden gebruikt bij de teelt van hennep. Denk aan koolstoffilters, dompelpompen, voedingsmiddelen, potten etc. etc.

Er zijn in de jurisprudentie nogal wat vrijspraken te vinden omdat de rechter van oordeel was dat de verdachte geen ‘criminele intentie’ had. Dit betekent dat de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig achtte dat de verdachte wist of vermoedde dat de spullen die hij aanwezig had, bestemd waren voor grootschalige hennepteelt. Maar ook zijn er een aantal vrijspraken te vinden omdat de rechtbank onvoldoende aannemelijk vond dat de verdachte zich überhaupt bezighield met verkoop.

Een voorbeeld van dat laatste is een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 januari 2016. Het ging hier om een kleine growshop waarvan de bedrijfsactiviteiten volgens de eigenaar per 1 maart 2015 waren neergelegd. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende verdenking was dat de verdachte na 1 maart 2015 nog handelde de goederen die nog in de growshop lagen. Het enkele op voorraad hebben van de goederen is onvoldoende voor een ernstig vermoeden van handel in deze goederen ná 1 maart 2015. Omdat de politie ondanks het ontbreken van een redelijke verdenking naar binnen was gegaan, heeft de rechtbank al het bewijs uitgesloten en volgde een vrijspraak.

Een tweetal zeer interessante uitspraken zijn die van de rechtbank Limburg van 22 maart 2016. De eerste uitspraak van deze datum betrof een eigenaar van een growshop die stelde dat hij alle spullen die bestemd waren voor professionele, bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt had opgeruimd. De verdachte vertelde dat hij enkel nog producten aanbood die geschikt waren voor de kleinschalige thuisteler.

De rechtbank begint met het aanhalen van de parlementaire geschiedenis en komt vervolgens tot het volgende oordeel:

De rechtbank kan haar ogen er niet voor sluiten dat tijdens de parlementaire behandeling onduidelijkheid is ontstaan over het door de Minister van Veiligheid en Justitie te pas en te onpas gebezigde begrip “criminele intentie”. Dit begrip komt echter niet terug in de strafbaarstelling. Gelet op de daar wel gebezigde begrippen en op de structuur van de strafbaarstelling die overeenkomt met diverse andere strafbaarstellingen, waaronder diverse onderdelen van artikel 273f Wetboek van Strafrecht, en de omtrent die andere strafbaarstellingen ontwikkelde jurisprudentie, houdt de rechtbank het ervoor dat de woorden “waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat” zo begrepen moeten worden dat van “weten” sprake is wanneer minimaal voorwaardelijk opzet bewezen kan worden verklaard en dat “ernstige reden om te vermoeden” duidt op schuld of culpa en betekent aanmerkelijke onvoorzichtigheid: bij enig nadenken had de verdachte kunnen vermoeden dat het om een stof of voorwerp (etc.) ging bestemd voor strafbare handelingen als bedoeld in artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet.

Weliswaar brengt een dergelijke uitleg met zich dat zowel opzettelijk handelen als culpoos handelen dan eenzelfde strafbedreiging kent, maar dat past binnen de opvatting waarin de verhouding tussen opzet en culpa eerder als gradueel wordt gezien dan dat deze subjectieve bestanddelen als elkaars tegenpolen worden beschouwd; niet steeds zal met scherpte te onderscheiden zijn of er sprake is van opzet dan wel culpa, terwijl dit onderscheid er voor het laakbare karakter van de gedraging niet toe hoeft te doen.

Vervolgens stelt de rechtbank zich de vraag of de verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn pand aanwezige stoffen en voorwerpen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige illegale hennepteelt als bedoeld in artikel 11 van de Opiumwet. Volgens de rechtbank is van “weten” sprake wanneer minimaal voorwaardelijk opzet bewezen kan worden verklaard en dat “ernstige reden om te vermoeden” duidt op schuld (culpa) oftewel aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Bij enig nadenken had de verdachte kunnen vermoeden dat het ging om een stof of voorwerp bestemd voor strafbare handelingen.

Naar het oordeel van de rechtbank waren de in het pand van de verdachte aangetroffen goederen, mede gelet op de hoeveelheid en de combinatie ervan, gericht op de grootschalige, dan wel beroeps- of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Verdachte wist dit. Zijn verweer dat hij alleen nog maar goederen aan kleinschalige hobbytelers verkocht, slaagde daarom niet.

De tweede uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 maart 2016 betrof een hoeveelheid goederen die werden aangetroffen bij een bedrijf dat zich richt op de export van tuinbouwbenodigdheden. De goederen betroffen onder meer:
– Droogrekken
– Assimilatielampen
– Een koolstoffilter
– Jerrycans met een voedingsmiddel van het merk Canna
– Roosters ten behoeve van cannacutters

De verdachte stelde zich op het standpunt dat de goederen bedoeld waren voor een ander bedrijf dat goederen levert aan orchideeënkwekers. Hij kon dit aantonen met stukken. De verdediging stelde dat tuindersartikelen slechts met een criminele intentie kunnen worden verkocht als de verkoper op de hoogte is van het feit dat de koper een bedrijfsmatige of professionele teler is.

De rechtbank begint ook hier met het aanhalen van de wetsgeschiedenis. Vervolgens oordeelt de rechtbank:

Uit het voorgaande blijkt naar oordeel van de rechtbank dat het er bij de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet om gaat dat voorwerpen ter beschikking worden gesteld, terwijl men weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat met die voorwerpen strafbare handelingen (overtreding van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet) worden begaan. Als het gaat om verkoop van alledaagse voorwerpen in een bouwmarkt of tuincentrum is vereist dat bij de verkoper sprake was van een criminele intentie in de zin van weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat de verkochte goederen bestemd waren voor de illegale hennepteelt, hetgeen die verkoper er niet van heeft weerhouden om van de gedragingen af te zien.

De keuze voor deze formulering brengt met zich mee dat het gaat om een objectiveerbare situatie en dat niet het subjectieve oordeelsvermogen van de verdachte bepalend is.

Op zich zou het mogelijk zijn dat niet alle in de garageboxen aangetroffen goederen bestemd waren om door [bedrijf 1] te worden geleverd aan [bedrijf 2] . Dan zouden dus nog enkele voorwerpen en stoffen resteren. De combinatie van die goederen zou volgens de wetsgeschiedenis van artikel 11a Opiumwet kunnen duiden op goederen die in de hennepteelt gebruikt worden. Maar dat alleen is niet voldoende. Volgens de wetsgeschiedenis dient tevens de criminele intentie van een verdachte bewezen te worden, in de zin van weten of een ernstige reden hebben om te vermoeden dat die goederen bestemd zijn voor de beroeps-, bedrijfsmatige dan wel grootschalige illegale hennepteelt, hetgeen de verdachte er niet van heeft weerhouden om van de (verboden) gedragingen af te zien.

De rechtbank houdt het er vervolgens voor dat het bewijs van de criminele intentie bij verdachte ontbreekt. Er volgt een vrijspraak.

Een soortgelijke uitspraak, maar met een andere conclusie is van de Rechtbank Oost-Brabant van 19 januari 2016. Het ging hier om een inval bij een growshop in Eindhoven. De verdediging stelde dat de criminele intentie ontbrak. De rechtbank begint met het aanhalen van een deel van de wetsgeschiedenis:

“Bij de huidige wijze van functioneren van growshops zal er snel voldoende bewijs zijn voor het bestaan van de wetenschap bij de growshophouder of -medewerker. Immers, growshops e.d. bestaan bij de gratie van de illegale hennepteelt, hetgeen alleen al uit de door hen gekozen openbaarmakingen duidelijk blijkt. Verder worden het assortiment en de geboden informatie en expertise opzettelijk aangeboden met één doel: de hennepteelt. In dit verband kan worden gewezen op producten als de koolstoffilter die specifiek worden ingezet en aangeboden voor de hennepteelt.” (Memorie van Toelichting, kamerstukken 11, 2010/11, 32 842, nr. 3, pagina 8).

De rechtbank stelt vervolgens dat het er bij de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet om gaat dat voorwerpen ter beschikking worden gesteld, terwijl met ernstige redenen heeft om te vermoeden of men weet dat met die voorwerpen strafbare handelingen worden begaan. De keuze voor deze formulering brengt, aldus de rechtbank Oost-Brabant, met zich mee dat het gaat om een objectiveerbare situatie en dat het subjectieve oordeelsvermogen van de verdachte niet bepalend is. Gelet op het aanbod en de benaming van de diverse aangetroffen stoffen en voorwerpen was de rechtbank uiteindelijk van oordel dat de winkel enkel en uitsluitend bedoeld was om hennepkwekers met raad en daad bij te staan. Er volgde een veroordeling.

Dezelfde rechtbank deed op dezelfde dag ook uitspraak in een andere zaak. Hier betrof het een verdachte die op meerdere locaties kweekspullen en informatie over wietteelt voorhanden had. De verdachte stelde dat hij de growshop van zijn vader had overgenomen in april 2015 en dat hij deze wilde voortzetten als een bedrijf met benodigdheden voor interieurplanten. Een deel van de voorraad kweekbenodigdheden waren overgebracht naar een andere locatie, waar geen klanten werden ontvangen.

De rechtbank hechtte geen geloof aan deze verklaring omdat aannemelijk was geworden dat er ook op deze nieuwe locatie goederen werden verkocht. Er volgde een veroordeling.

Dan zijn er nog twee uitspraken van het Gerechtshof Den Bosch van 4 juli 2016. De eerste uitspraak betrof iemand die kweekspullen had bewaard om later terug te kunnen geven aan een persoon die eerder in verdachtes vorige woning een hennepkwekerij had gehad. Puur en enkel gebaseerd op dit gegeven stelt het Hof dat de verdachte dus wist dat de spullen bedoeld waren voor bedrijfsmatige kweek van hennep. Er volgde een veroordeling, waarbij wel rekening werd gehouden met het feit dat artikel 11a Opiumwet pas enkele maanden in werking was.

De tweede uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 4 juli 2016 betreft een vergelijkbare casus, maar een andere uitkomst. De verdachte werd verweten dat hij kweekspullen voorhanden had, maar deze spullen stonden op een zolder die de verdachte had verhuurd aan een andere verdachte. Er was dus geen sprake van voorhanden hebben. Voorts ontbrak de criminele intentie. De verdachte had namelijk tegen de medeverdachte gezet dat zij het niet in haar hoofd moest halen om een hennepkwekerij te beginnen en dat hij ‘geen gerotzooi’ wilde. Er volgde een vrijspraak.

Een vrijspraak volgde ook in een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 december 2016. Er waren zowel in een woning als in een bestelauto hennepgerelateerde spullen aangetroffen. De verdachte werd vrijgesproken van het aanwezig hebben van de spullen in de woning. Hetgeen in de auto lag was volgens het Hof wel bestemd voor het kweken van hennep, maar betrof een zeer geringe hoeveelheid, waardoor niet met een voor de bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat deze bestemd waren voor de teelt van een grote hoeveelheid hennep. Er volgde een vrijspraak.

Een andere uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch werd gedaan op 3 augustus 2016. Het betrof hier een kleinschalige growshop die zich volgens de verdachte in een overgangsfase bevond. De verdachte stelde dat hij zich na 1 maart 2015 wilde richten op kleinschalige hobbymatige hennepteelt. Hij zou voorwerpen proberen te retourneren of afvoeren ofwel alleen verkopen voor de kleinschalige hennepteelt of voor heel andere doeleinden.

Het Gerechtshof oordeelde hier als volgt over:

Ten aanzien van deze voorwerpen en stoffen is het hof van oordeel, dat het volstrekt niet aannemelijk is dat die voorwerpen en stoffen worden gebruikt in kleinschalige, niet professioneel ingerichte, hennepkwekerijen die gericht zijn op teelt van enkele hennepplanten voor eigen huiselijk gebruik, maar dat zij vanwege hun aard en/of functie zijn bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik onder professioneel gecreëerde omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerij, dus op verkoop van de oogst.

Het hof beschouwt de door de politie in het winkelpand van verdachte aangetroffen stoffen, voorwerpen en gegevens, met name vanwege het aantreffen van de hiervoor specifiek beschreven aangetroffen goederen, als een gezamenlijkheid van goederen die zijn bestemd voor grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt. Dat een aantal aangetroffen voorwerpen ook kunnen zijn bestemd voor kleinschalige hennepteelt of anderszins doet daar niet aan af.

Er volgde uiteindelijk een veroordeling waarbij een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf werd opgelegd.

Tot slot een uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2016, waarbij vooral de conclusie van de Procureur-Generaal interessant is. Onder de verdachte waren een aantal kweekspullen in beslag genomen. Daartegen had hij een klaagschrift ingediend en de rechtbank Zeeland – West-Brabant had dit klaagschrift gegrond verklaard. De Officier van Justitie was in cassatie gegaan.

De verdachte stelde een online growshop te hebben gehad, maar zijn bedrijfsactiviteiten met ingang van 1 maart 2015 te hebben neergelegd. De rechtbank achtte dit standpunt aannemelijk. Vervolgens stelt de rechtbank:

Het enkele voorhanden hebben van goederen, die geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt is onvoldoende reden om een criminele intentie aan te nemen, aldus de rechtbank. Gelet hierop acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen zal bevelen.

De Procureur-Generaal stelt – kort samengevat – dat op geen enkele wijze is gebleken dat de in beslag genomen spullen op de dag van de inval nog steeds bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake (meer) was van een redelijk vermoeden van schuld jegens de klager, althans dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat nader opsporingsonderzoek alsnog belastend bewijsmateriaal op zou leveren, achtte hij niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.

Strafmaat

Een tweede interessant aspect van de hierboven aangehaalde jurisprudentie betreft de opgelegde straf.

Laten we om te beginnen even kijken naar wat de richtlijnen zijn van het Openbaar Ministerie op dit vlak. De Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs stelt dat voor een growshophouder of facilitator een gevangenisstraf van 3 maanden wordt geëist. Bij herhaling is dit zelfs 4 maanden. Als het gaat om éénmalig handelen ten behoeve van een kwekerij van 200 tot 500 planten wordt een taakstraf van 100 uur genoemd.

In bovengenoemde uitspraken werd (ondanks de richtlijnen van het OM) geen enkele keer onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De zwaarste straf die werd uitgedeeld was 3 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk. De rechtbank Oost-Brabant legde twee keer een geldboete van 10.000 euro en 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf op. Daarnaast werden er taakstraffen uitgedeeld. Het Hof Den Bosch kwam tot een straf van 180 uur waarvan 90 uur voorwaardelijk in de zaak van de growshop die in de overgangsfase zou zijn. De verdachte die alleen wat spullen bewaarde voor een ander kreeg van ditzelfde hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur.

Ook het OM zelf eet de soep kennelijk niet zo heet als hij word opgediend. In de zaak van de verdachte die materialen in zijn bestelbus had (en later werd vrijgesproken) werd een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken geëist.

Conclusie

Uit bovengenoemde uitspraken volgt dat rechters toch nog behoorlijk worstelen met het nieuwe artikel 11a Opiumwet. Enerzijds zijn er uitspraken (waaronder één van de Hoge Raad) waarin veel nadruk wordt gelegd op de wetenschap van de verdachte over de bestemming van de goederen die hij in bezit heeft. Het enkele voorhanden hebben van spullen die kunnen worden gebruikt voor het kweken van hennep is niet voldoende. De verdachte moet volgens deze rechtspraak weten of redelijkerwijs vermoeden dat de goederen die hij heeft ook in de toekomst nog een bestemming hebben in de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt.

Anderzijds zijn er uitspraken te vinden waarin de wetenschap wordt afgeleid uit de aard van de goederen. Verweren die er op neerkomen dat er geen goederen meer worden verkocht ten behoeve van de grootschalige hennepteelt worden in deze uitspraken verworpen.

Voorlopig is een voorzichtige conclusie dat het enkele voorhanden hebben van kweekspullen niet voldoende is. De verdachte moet ook wetenschap of een ernstig vermoeden hebben van de toekomstige bestemming van de goederen. Die bestemming kan in beginsel uit de aard van de goederen worden afgeleid. Een cannacutter of een koolstoffilter is bijvoorbeeld bij uitstek bedoeld voor hennepteelt. Echter, indien de goederen aantoonbaar niet meer worden verkocht of wanneer aannemelijk is dat de verdachte niet wilde dat er iets strafbaars met de goederen zou gebeuren, dan volgt vaak een vrijspraak. Indien de verdachte de goederen te koop aanbood, deze bewaarde voor iemand met kwade bedoelingen of de goederen onder onduidelijke omstandigheden onder zich had, dan volgt doorgaans een veroordeling.

Met betrekking tot de strafmaat is de conclusie (op basis van de aangehaalde uitspraken) dat er doorgaans geen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Wel worden er flinke boetes, voorwaardelijke gevangenisstraffen en taakstraffen opgelegd.

31 december 2015

Voorbereiden hennepteelt. De jurisprudentie van 2015.

2015 was het jaar waarin het voorbereiden van hennepteelt strafbaar werd gesteld in het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet.

De laatste dag van het jaar is een mooie gelegenheid om terug te kijken op de beperkte jurisprudentie die dit jaar is ontstaan over de toepassing van deze nieuwe wetgeving.

De eerste gepubliceerde uitspraak was van de rechtbank Den Haag en ging over een eigenaar van een growshop in Wateringen die werd vervolgd wegens overtreding van artikel 11a Opiumwet. De verdediging voerde het verweer dat niet bleek dat de verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn pand aanwezige goederen en stoffen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen omdat uit diverse omstandigheden bleek dat de verdachte wel degelijk wist waarvoor de goederen in zijn winkel bestemd waren.

De Officier van Justitie eiste 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Omdat de verdachte al eerder was veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet werd deze eis gevolgd door de rechtbank.

Een tweede uitspraak werd in september gedaan door de rechtbank Limburg. Ook hier stond een eigenaar van een growshop terecht. De verdachte stelde dat zijn bedrijf in een overgangsfase zat en dat hij alleen nog maar spullen verkocht aan de hobbyteler die hooguit 5 planten had. Hierin ging de rechtbank niet mee. Volgens de rechtbank bleek uit hetgeen de politie had aangetroffen dat de handel was gericht op het faciliteren van grootschalige hennepteelt. De eis van de Officier van Justitie was ook in dit geval 3 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk. De rechtbank maakte daar een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden van.

Dezelfde straf (3 maanden voorwaardelijk) kreeg een growshophouder uit Geldermalsen in een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 oktober 2015.

Diezelfde rechtbank kwam op 19 november 2015 tot een vrijspraak van een growshophouder die volgens de rechtbank onderbouwd had gesteld dat zijn winkel zich richtte op de medicinale gebruiker en de hobbyteler die maximaal 5 hennepplanten heeft. Hij kon dit aantonen door de soort goederen die hij verkocht, alsmede door het overleggen van een administratie waaruit bleek dat hij nooit grote hoeveelheden verkocht. Tegen deze uitspraak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Tot slot een zeer recente uitspraak van 30 december 2015 van de rechtbank Oost-Brabant. Het betrof hier iemand die een grote hoeveelheid goederen thuis had liggen die onmiskenbaar bestemd waren voor het telen van hennep. Het ging onder meer om 203 assimilatielampen, 167 armaturen, 187 transformatoren, voedingsmiddelen, een koolstoffilter en diverse kachels.

De eis van de Officier van Justitie week af van de eis die kennelijk geldt voor growshophouders. Er werd een boete van 5.000 euro en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk geëist. De rechtbank vond een geldboete onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit en kwam tot een andere straf: 120 uur taakstraf en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk. Het is overigens de vraag of dit echt een zwaardere straf is, want 120 uur taakstraf staat gelijk aan een geldboete van ongeveer 1.500 euro.

In 2016 zullen er vermoedelijk veel meer uitspraken volgen voor overtreding van artikel 11a Opiumwet. Wat met name interessant is of ook mensen die zich richten op kleinschalige hennepteelt, bijvoorbeeld verkopers van kleine zakjes hennepzaden, strafbaar zullen blijken in de praktijk. Op dit moment is dat nog erg onduidelijk.